Loopblessures

Blessure Tractus iliotibialis frictiesyndroom

Het tractus iliotibialis frictiesyndroom (TIFS), is een overbelastingsblessure waarbij pijn wordt gevoeld aan de buitenzijde van de knie. Deze blessure komt veel bij hardlopers voor. Het TIFS ontstaat door terugkerende frictie van de tractus iliotibialis ( een peesplaat aan de buitenzijde van het bovenbeen) over de epicondyl (knobbel aan de buitenzijde boven de knie). De tractus iliotibialis (ITB) verschuift naar voren over het epicondyl van de knie bij kniestrekking en verschuift naar achteren bij kniebuiging. Net na de voetlanding bij gaan bij iets minder dan 30 graden kniebuiging, treedt een frictiemoment (wrijvingsmoment)op van de ITB over het epicondyl. Herhaalde frictie geeft irritatie en een ontsteking.
Deze klacht komt zowel bij topatleten als bij recreatieve lopers voor en treedt vaker op bij mannen dan bij vrouwen, de oorzaak daarvan kan liggen in het feit dat meer mannen dan vrouwen duursporten beoefenen.

Symptomen

De klachten die horen bij een tractus iliotibiaal fritiesyndroom zijn zeer specifiek.

Stadium 1:

De meestal zeurende of stekende pijn is gelokaliseerd aan de buitenzijde van de knie en treedt in het begin pas na afloop van fysieke inspanning op ( stadium 1).Vaak straalt de pijn uit naar de knieholte of naar de buitenzijde van het onderbeen.

Stadium 2:

De klachten kunnen snel progressief worden waarbij ze al tijdens de inspanning optreden ( stadium 2)

Stadium 3:

Soms moet men stoppen met lopen en treden de klachten steeds eerder op waardoor looptraining niet meer mogelijk is (stadium 3). Door rust verdwijnen de klachten, maar bij sporthervatting kunnen de klachten vrij snel opnieuw optreden, indien niets aan de oorzaak wordt gedaan.

Oorzaken

De pijn wordt opgewekt door herhaaldelijke wrijving van de tractus iliotibialis over de epicondyl (knobbel) aan de buitenzijde van de knie. Factoren die mogelijk een rol spelen bij het ontstaan van deze aandoening kunnen worden verdeeld in interne, persoonsgebonden en externe, omgevingsgebonden factoren. Voorbeelden van interne factoren zijn: O-benen, holvoeten, instabiliteit in de knie en of enkel, beenlengteverschil, spierverkorting of onvoldoende kracht van de bilspieren. Voorbeelden van externe factoren zijn: verkeerde of te oude loopschoenen met onvoldoende schokdemping en stabiliteit, veel aan de buitenzijde van de weg lopen, met het aangedane been aan de lage zijde, te snelle trainingsopbouw, lopen op een ander parcours (heuvellandschap of asfalt), verkeerde fietsafstelling bij wielrenners

Therapie

Voor het toepassen van adequate therapie dient men eerst de oorzaak van de klacht goed in kaart te brengen. De therapie kan bestaan uit massage en rekoefeningen van de tractus, opheffen van eventuele bewegingsbeperkingen in de lage rug, heup, bekken en enkel, een oefenprogramma gericht op de verbetering van spierkracht van de bil, buik en rugmusculatuur en stabiliteit rond de heup en het bekken. Aangezien het hardlopen de pijnprikkel opwekt, moet dus tijdelijk een sterke reductie van de training plaatsvinden. Er kan gekozen worden voor alternatieve trainingsvormen zoals zwemmen aquajoggen en fietsen. Het is bovendien belangrijk een analyse uit te voeren van het voettype, het looppatroon en het schoeisel.

Preventie

Een verantwoorde opbouw van de looptraining is essentieel. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de loopfrequentie, snelheid en het oppervlak waarop gelopen wordt (zijkant van de weg, vloedlijn aan zee, heuvelachtig terrein, tartan enz) Ook de keuze van het schoeisel is essentieel voor hardlopers